Kort antwoord
Een 2½ gulden is altijd minimaal zijn zilverwaarde waard. Voor de meeste jaargangen is dat ook de praktijk: ze zijn in miljoenen geslagen en worden verhandeld rond de dagkoers van zilver. Bij vroege jaartallen, een klein muntteken of een uitzonderlijke kwaliteit ligt de veilingwaarde een veelvoud hoger. Het verschil tussen die twee situaties bepaalt of u uw munt het beste direct verkoopt of laat veilen.
Wat is een 2½ gulden?
De 2½ gulden is de rijksdaalder van het Koninkrijk: het grootste zilveren circulatiestuk van Nederland, geslagen vanaf 1840. U komt de munt tegen onder verschillende schrijfwijzen. 2,5 gulden, 2 1/2 gulden en rijksdaalder verwijzen allemaal naar hetzelfde stuk.
Let op één veelgemaakte verwarring. De rijksdaalder van de Republiek uit de 17e en 18e eeuw is een andere, zwaardere munt: circa 29 gram op 885/1000, geslagen door de afzonderlijke gewesten. De 2½ gulden hierna beschreven is de munt van het Koninkrijk, met het portret van de vorst op de voorzijde. Ook de leeuwendaalder wordt vaak een rijksdaalder genoemd, maar dat is weer een aparte handelsmunt.
Schulman veilt sinds 1880 Nederlandse munten. Juist bij de 2½ gulden lopen de waarden ver uiteen, van enkele tientjes zilverwaarde tot bedragen die in de duizenden lopen voor de zeldzaamste jaartallen in topkwaliteit.
Specificaties per periode
De munt is bijna een eeuw lang op dezelfde maat geslagen. Alleen het zilvergehalte is halverwege verlaagd, en dat is precies de knip die de zilverwaarde bepaalt.
| Periode | Gewicht | Gehalte | Fijn zilver |
|---|---|---|---|
| 1840–1928 | 25 gram | 945/1000 | circa 23,6 gram |
| 1929–1943 | 25 gram | 720/1000 | circa 18 gram |
De diameter is in beide gevallen circa 38 mm. Wilt u de smeltwaarde weten, vermenigvuldig dan het fijngewicht met de zilverprijs per gram van vandaag.
Zilverwaarde of verzamelwaarde
Dit is de kern van elke waardebepaling, en het is het eerste onderscheid dat wij bij binnenkomst maken.
Alleen zilverwaarde. Gewone jaartallen uit de grote oplages, in gecirculeerde staat en zonder bijzonderheden. Deze munten volgen de zilverprijs en worden per gewicht ingekocht.
Numismatische waarde. Een schaars jaartal, een klein muntteken, een proefslag of een exemplaar met originele muntglans. Hier is de zilverprijs niet meer dan de bodem en bepaalt de verzamelaarsvraag de prijs.
Een gemengde verzameling bevat vrijwel altijd beide categorieën. Wij splitsen die daarom bij taxatie: het courante zilver kopen wij direct in, de bijzondere stukken brengen wij in veiling.
Wat bepaalt de waarde van uw 2½ gulden
Vier factoren, in volgorde van belang:
- Jaartal en oplage. De verschillen zijn groot. Sommige jaargangen zijn in miljoenen geslagen, andere in enkele tienduizenden.
- Conditie. Bij deze grote zilveren munt is slijtage op de wang en het haar van de vorst het eerst zichtbaar. Originele glans en een scherp randschrift wegen zwaar mee.
- Muntteken en variant. Kleine verschillen in het muntmeesterteken of het portrettype maken van een courant jaartal soms een zeldzaamheid.
- Echtheid. Van de gezochte jaartallen bestaan vervalsingen, vaak gemaakt door het jaartal van een courante munt aan te passen.
Wilt u leren waar u zelf op kunt letten, lees dan zeldzame munten herkennen en hoe weet ik wat mijn oude munten waard zijn. Poets uw munt in geen geval op: dat kost vrijwel altijd waarde.
Zeldzaamheid van de 2½ gulden per vorst (1840–1943)
Hieronder staat per vorst welke jaartallen schaars zijn en welke courant. De indeling is gebaseerd op de oplage in combinatie met wat daarvan bewaard is gebleven, en op hoe vaak een jaartal in de handel opduikt.
We noemen bewust geen prijzen. Die bewegen mee met de zilverprijs en met vraag en aanbod. Wat niet beweegt is de zeldzaamheid, en dat is de factor die het verschil maakt tussen metaalwaarde en verzamelaarswaarde.
2½ gulden Willem I (1840)
| Jaartal | Oplage | Zeldzaamheid |
|---|---|---|
| 1840 | 44.376 | Schaars |
Onder Willem I is de rijksdaalder maar één jaar geslagen, in een kleine oplage. Let op: van dit jaartal zijn vervalsingen bekend.
2½ gulden Willem II (1841–1849)
| Jaartal | Oplage | Zeldzaamheid |
|---|---|---|
| 1841 | 53.535 | Zeldzaam |
| 1842 | 909.883 | Vrij algemeen |
| 1843 | 742.659 | Schaars |
| 1844 | 278.534 | Schaars |
| 1845 · zonder streepje | 3.589.217 | Vrij algemeen |
| 1845 · met streepje | 505.330 | Vrij algemeen |
| 1845 · lelie met parel | 163.868 | Schaars |
| 1846 · lelie | 3.029.712 | Vrij algemeen |
| 1846 · zwaard | — | Vrij algemeen |
| 1847 | 8.958.675 | Algemeen |
| 1847/4 | — | Algemeen |
| 1848 | 8.839.330 | Algemeen |
| 1848/4 | — | Algemeen |
| 1849 | 1.582.927 | Vrij algemeen |
1841 is met ruim 53.000 stuks veruit het schaarste jaartal. Bij 1845 en 1846 bepalen het streepje tussen kroon en wapenschild en het muntmeesterteken (lelie, lelie met parel of zwaard) welke variant u heeft.
2½ gulden Willem III (1849–1874)
| Jaartal | Oplage | Zeldzaamheid |
|---|---|---|
| 1849 | 439.307 | Vrij algemeen |
| 1850 | 5.008.210 | Algemeen |
| 1851 | 3.647.493 | Vrij algemeen |
| 1852 | 4.546.764 | Algemeen |
| 1852 · variant | — | Schaars |
| 1853 | 234.128 | Schaars |
| 1853/52 | — | Schaars |
| 1854 | 4.334.526 | Algemeen |
| 1854/52 | — | Schaars |
| 1855 | 2.082.046 | Vrij algemeen |
| 1856 | 909.345 | Vrij algemeen |
| 1857 | 3.353.072 | Vrij algemeen |
| 1858 | 8.357.846 | Algemeen |
| 1859 | 4.306.594 | Algemeen |
| 1860 | 847.104 | Vrij algemeen |
| 1861 | 876.003 | Schaars |
| 1862 | 3.304.118 | Vrij algemeen |
| 1863 | 50.652 | Zeldzaam |
| 1864 | 2.033.644 | Vrij algemeen |
| 1865 | 2.287.612 | Algemeen |
| 1866 | 3.652.608 | Algemeen |
| 1867 | 4.948.886 | Algemeen |
| 1868 | 4.040.021 | Algemeen |
| 1869 | 5.046.192 | Algemeen |
| 1870 | 6.639.847 | Algemeen |
| 1871 | 6.875.035 | Algemeen |
| 1872 | 13.421.471 | Algemeen |
| 1873 | 5.517.381 | Algemeen |
| 1874 | 3.040.726 | Algemeen |
| 1874 · zwaard met klaverblad | 9.755.000 | Algemeen |
1863 is het sleutelstuk van de hele reeks: nog geen 51.000 stuks. Van dit jaartal zijn ook vervalsingen bekend. Na 1874 is de zilveren rijksdaalder ruim vijftig jaar niet meer geslagen.
2½ gulden Wilhelmina (1898–1943)
| Jaartal | Oplage | Zeldzaamheid |
|---|---|---|
| 1898 · met punt | 100.000 | Schaars |
| 1898 · zonder punt | — | Zeldzaam |
| 1929 | 4.400.000 | Algemeen |
| 1930 | 11.600.000 | Algemeen |
| 1931 | 4.720.000 | Algemeen |
| 1932 · normaal haar | 6.000.000 | Algemeen |
| 1932 · grof haar | — | Vrij algemeen |
| 1933 | 3.560.000 | Algemeen |
| 1937 | 4.000.000 | Algemeen |
| 1938 · normaal haar | 2.000.000 | Algemeen |
| 1938 · grof haar | — | Vrij algemeen |
| 1939 | 3.760.000 | Algemeen |
| 1940 | 4.640.000 | Vrij algemeen |
| 1943 · Denver, voor Indië | 2.000.000 | Algemeen |
1898 is de kroningsrijksdaalder en met 100.000 stuks de schaarste van deze groep. Vanaf 1929 daalt het gehalte naar 720/1000 en gaan de meeste jaargangen op zilverwaarde. Van 1932 en 1938 met grof haar bestaan gevaarlijke jaartalvervalsingen; laat die altijd beoordelen.
Let op vervalsingen
Bij de gezochte jaartallen 1932 en 1938 met grof haar komen jaartalvervalsingen voor: een courante munt waarvan een cijfer is bijgewerkt. Ze zijn met het blote oog lastig te zien. Laat een exemplaar dat u als zeldzaam is verkocht altijd beoordelen, en overweeg bij een waardevol stuk professionele grading.
Uw 2½ gulden verkopen of laten veilen
Wij bekijken kosteloos wat u heeft en vertellen u eerlijk in welke categorie uw munten vallen. Heeft u een gemengde verzameling, dan splitsen wij die: het courante zilver kopen wij direct in, de bijzondere stukken brengen wij in veiling. Zo haalt u uit beide delen het maximale.
Dit geldt net zo goed voor verwante stukken. Heeft u naast rijksdaalders ook gouden tientjes, zilveren rijders of andere munten, breng ze dan gerust samen aan. Maak een afspraak voor taxatie of stuur ons foto's, dan laten wij u weten wat de mogelijkheden zijn.







